een stichtend verhaal

VAN STINKENDE RIJK TOT HELEMAAL BLUT

John Law (1671-1729) was een getalenteerde Schotse kaartenspeler en een flierefluiter. Maar ook een van de eerste economen die theoretisch over papiergeld nadacht. Op het hoogtepunt van zijn carrière heeft Law een kwart van het Amerikaanse grondgebied in handen. Maar hij verliest uiteindelijk alles.

* Als zoon van een goudsmid erft John Law na de dood van zijn vader, veel geld. Hij is nog maar 20 jaar als hij zich in Londen vestigt. Daar legt John zich toe op zijn grote hobby’s: drinken, gokken, kaarten, vrouwen versieren en – iets serieuzer – de werking van geld- en kredietsystemen bestuderen.

* De knap ogende kroegtijger brengt vrouwen het hart op hol, en zijn kaartspel en de hoge winsten maken hem natuurlijk nog aantrekkelijker voor het andere geslacht. Maar door zijn playboy-gedrag komt John in de problemen.

* In 1694 raakt hij verzeild in een affaire met Elizabeth Villiers (1657-1733), de gravin van Orkney. Zij is de hulp én de maîtresse van stadhouder Willem III van Oranje (1650-1702), sinds 1689 koning van Engeland en Ierland.

* John Law is al vanaf zijn jeugd gecharmeerd van de Amsterdamse Bank en het Nederlandse aandelensysteem, zoals geïntroduceerd door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). In de Republiek benut John de tijd om het Nederlandse monetaire systeem te bestuderen. Of, beter gezegd, af te kijken.

* In de jaren tussen 1696 en 1715 reist John voortdurend heen-en-weer tussen Amsterdam, Den Haag, Schotland en Frankrijk. Ook brengt hij als gokker bezoeken aan onder meer Parijs en Genua, waar hij zulke grote winsten haalt dat de mensen denken dat hij vals speelt en hem adviseren de stad te verlaten voor zijn eigen veiligheid. Maar John speelt niet vals. Hij heeft een bovengemiddeld talent voor kaart- en gokspelen.

* In Schotland, waar Law ook regelmatig komt, doet hij voorstellen aan regeringsleiders om de vastgelopen Schotse economie te redden via een op Nederlandse leest geschoeide handelsbank.

* Hij publiceert zijn plannen in het pamflet Money and Trade Conder’d with a Proposal for Supplying the Nation with Money (1705). Na veel tralala worden zijn ideeën tien jaar later definitief van tafel geveegd.

* John gaat nog datzelfde jaar zijn geluk in Frankrijk beproeven. De oorlogen van Lodewijk XIV (1638-1715) hebben er geleid tot torenhoge staatsschuld met bijhorende rentes. John heeft goede connecties in de hoogste Franse regeringskringen. In oktober 1715 legt hij zijn financiële plannen voor aan Philips van Orléans (1674-1723), die slechts enkele weken voordien is aangesteld als regent voor de minderjarige zoon van Lodewijk XIV.

* In mei 1716 introduceert John de Banque Générale Privée in Parijs. Het is een privébank met hemzelf als eigenaar, maar driekwart van het kapitaal van de bank is feitelijk gebouwd op drijfzand: staatsobligaties en schuldbrieven.

* De zaken gaan prima. Binnen twee jaar is Laws bank een staatsbank, de Banque Royale, en John is op dat moment een van de rijkste mensen op aarde.

* Naast een bank zet John de Compagnie d’Occident op, naar het Hollandse model van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)., in de volksmond bekend als de Mississippi Compagnie. Die is gebouwd op een aandelensysteem en krijgt een handelsmonopolie van 24 jaar om de Franse kolonie Louisiana in Amerika te exploiteren. Law moet hier dan 6 000 Fransen en 3 000 slaven plaatsen. Zo wordt hij de virtuele eigenaar van 25% van Amerika’s grondgebied.

* Om zoveel mogelijk Fransen over te halen naar Louisiana te gaan, begint Law een promotiecampagne waarin Louisiana wordt afgeschilderd als het paradijs. Hij organiseert parades door Parijs waarin indianen worden getoond en vertrekkende emigranten als helden uitgeleide krijgen.

* Intussen doen overal geruchten de ronde dat in Louisiana goud en zilver te vinden is, terwijl het gebied feitelijk één groot moeras is met nauwelijks nederzettingen. Louisiana is niet stinkend rijk, maar een stinkende rijk.

* Door de positieve verhalen over Lousiana stijgt de waarde van de Louisiana-aandelen in 1719 en 1720 naar recordhoogten. In Parijs breekt een ware run los op de magische papiertjes, zo erg dat regelmatig de politie erbij moet komen om de orde te handhaven in het financiële centrum van Parijs.

* Zelfs het armere segment van de bevolking laat zich verleiden, verkoopt zijn vee en/of leent geld om aandelen te kunnen kopen. Tientallen straatarme Fransen worden, soms binnen een paar dagen, stinkend rijk.

* Ook John Law neemt het er flink van. Zo koopt hij in Parijs het enorme paleis Palais Mazarin, waar tegenwoordig de Nationale Bibliotheek van Frankrijk is gevestigd. Als toetje schaft hij nog eens zeven grote Parijse woningen aan, diverse landgoederen en allerlei kunstwerken.

* In Parijs komen allerlei projecten van de grond die door Law gesubsidieerd worden, zoals bruggen, nieuwe wegen, meerdere ziekenhuizen en – dat plan lag ook klaar – gratis onderwijs aan Franse universiteiten.

* Lang duurt de private party van John echter niet. Als de aandelen in waarde blijven stijgen en de eerste berichten doorsijpelen dat Louisiana geen goud- of zilverberg maar een moeras is, vertrouwen veel investeerders het in 1719 en 1720 niet meer.

* Ze gaan naar de bank om hun aandelen in cash te laten uitbetalen, voor het te laat is, en sluizen hun geld door naar het buitenland. Dat is het begin van het einde.

* De prijzen van de aandelen kelderen verder, waarna natuurlijk ook anderen hun aandelen willen verzilveren. Uiteindelijk zijn de aandelen praktisch niets meer waard. Ruim 500.000 aandeelhouders blijven met lege handen achter.

* Door deze “Mississippi Bubble” verliest Law alles wat hij heeft, terwijl Frankrijk en een groot deel van Europa in een flinke economische crisis terechtkomen. Liefst zeventig jaar lang, tot de Franse Revolutie, verdwijnt het papiergeld uit het Franse geldsysteem.

* Een woedende menigte dwingt John Law in december 1720 Frankrijk te verlaten. Law belandt na een omzwerving via onder meer Vlaanderen, Duitsland, Denemarken en Engeland uiteindelijk in Wenen.

* Daar sterft hij, gebroken en nagenoeg blut, op 21 maart 1729 aan een longontsteking.   – (een bewerking van Enne Koops voor ‘Historiek’) –