“Volwassen worden aan de katholieke universiteit. “

Aan die universiteit ben ik in het begin van de zestiger jaren van schuchtere Kempenaar een volwassen mens geworden , zoals zovelen van mijn jaargenoten . Wij studeerden er toen wat in die periode Germaanse Filologie heette, dat was een fundamentele studie van het Nederlands , Engels en Duits. Niet alleen wij evolueerden , ook de universiteit met ons.

Het was de tijd van Leuven Vlaams , want de KUL was nog een tweetalige universiteit . Het was de tijd van het Mandement van de Belgische Bisschoppen die in de kerken een brief lieten voorlezen waarin geen sprake kon zijn van een overheveling van de Franstalige universiteit naar waar ook .

Kort daarna viel de regering over Leuven en waren wij daar allemaal blij om . Het gezag van de bisschoppen deemsterde weg , stilaan voorgoed weg . Vele jong volwassenen zagen in dat de bisschoppen ook maar mensen waren . Kerken werden beklad…. en na korte tijd was de hele Franstalige afdeling van de Leuvense universiteit verhuisd naar Waals Brabant. Zij kregen een splinternieuwe universiteit in Nieuw Leuven , Louvain La Neuve.

Maar op het ogenblik van mijn verder verhaal zaten wij nog allemaal samen en studeerden wij in juli 1966 samen af : 75 Vlamingen,  25 Walen of Franstaligen en een vijftal Oostkantonners.

Ondanks al onze kreten in betogingen “oealen buiten” leefden wij in de beste verstandhouding met de Walen en gingen wij samen op studiereis. Pas later hebben wij vaak moeten horen hoe zeer de Franstaligen zich door die kreet gekwetst voelden.

In de laatste jaren aan de universiteit, nu de ‘masterjaren’, was ik bij toeval praeses geworden van de Leuvense germanisten. Daardoor werd van mij ook steeds verwacht dat ik bij plechtige gelegenheden iets voor de microfoon zou zeggen dat prettig moest klinken.

Daarom citeer ik nu iets van maar enkele jaren geleden terug over wat je zou kunnen noemen ”seksuele opvoeding aan de universiteit anno 1962 en 1964.”

Een andere mijmering sluit aan bij een ander lied uit mijn Heimat , “In de stille Kempen“ , namelijk bij de zin : maar wat heeft de liefde ook hier niet verricht. Hier luidt hij dan als: maar wat heeft Germaanse ook hier niet verricht! Voor de eerste keer een tweetal belangrijke bekentenissen doen.

Het eerste speelde zich af tijdens de kandidaturen toen wij van professor Pauwels en nog een collega van hem uit Nijmegen , professor Wijnen , letterlijk de boer op gestuurd werden om allerlei zaken te vragen over het uitstervende dialectische woordgebruik bij boeren en andere landgebruikers.

Ik was een timide jongen en werd een beetje rood wanneer ik aan het hoofdstuk ” geslachtsdrift bij dieren”, moest beginnen. Voor de boeren en boerinnen was dat wel de max uit de gesprekken die zij moesten voeren met een voor hen toch vertegenwoordiger van de universiteit.

Mijn faam verspreidde zich onder de boerenbevolking en werd waarschijnlijk enkele jaren later de basis , waarschijnlijk … van mijn gemeentelijke politieke carrière.

Tegen de tijd dat ik de laatste boer bezocht had , was mijn woordenschat over de geslachtdrift bij dieren vrijwel volledig. Dat bleek tientallen jaren later nog duidelijk toen al die lijsten uit een diepe Leuvense kelder werden gehaald en werden uitgegeven als deel van het Brabantse  woordenboek.

Vanuit de provincie Antwerpen betaalden wij, samen met Noord-Brabant , het grootste deel ervan en samen met de erg oude professor Wijnen , mocht ik toen na zovele jaren het boerendeel van het woordenboek voorstellen.

Het gebeurde in Bergen op Zoom, midden in protestants gebied . Daarom heb ik daar wijselijk over mijn woordenlijst gezwegen, al besefte ik dat ik snel over de grens zou geweest zijn als ze me hadden weggejaagd.

Ik heb daarnet verteld hoe ik als timide jongen die eerste geweldige duw kreeg in mijn seksuele ontwikkeling. De tweede duw was nog veel erger en gebeurde tijdens onze reis naar Engeland in de paasvakantie van de eerste licentie. Trouwens … die hele eerste licentie voelden wij aan als één grote vakantie….

Over van alles en nog wat hadden wij al in de bus gezongen , over buttercups and daisies, and over iedereen zijn bonnie die over de oceaan was. Tot mijn oren plots spitsten bij een Franstalig liedje , blijkbaar het lijfliedje van onze Franstalige reisgenoten.

Het ging over een zekere jeanneton en het heette la rirette… Enfin… In de plaats van het falderie falderaa dat wij beter kenden was het meest voorkomende woord “la rirette , la rirette”.

Wij , mijn timide brave Vlaamse vrienden en ikzelf , en misschien ook enkele vriendinnen , hoorden dadelijk dat het iets speciaals was. Maar omdat het ergens ging over ” le premier un peu timide” hadden wij nog wel niet door hoe erg het verhaal zou worden en … dat het ons allen naar de keel zou grijpen.

God , wat daar allemaal in stond zeg, in dat liedje! Tientallen keren werd het ons verzoeknummer aan onze collega’s. Wij zouden zoiets nooit gedurfd hebben , zeker niet met professor eerwaarde heer Servotte erbij.

Maar die bleef wel glimlachend zijn boek verder lezen. Wat ons deed besluiten dat hij veel beter Engels kende dan Frans. Hij was toch meegegaan om , naast over de kennis van ons Engels , ook over ons zielenheil te waken en alle bekoringen en beproevingen ver van ons weg te houden. Maar wellicht was ook Servotte hierin zijn tijd ver vooruit …

Binnen de kortste tijd hadden wij heel het liedje door, en zongen wij al snel de dubbele zedenles mee… La morale de cette histoire en la morale de cette morale….

Lieve vrienden en vriendinnen uit het andere taalgebied: bedankt omdat jullie ons wereldbeeld en ons beeld over de relatie man – vrouw zo hebben bijgestuurd.

Tot dan toe hadden wij , jongens , en ook de meisjes , alleen maar gezongen over Tinneke van Heule en hoe die kon melken , en mesten en schuren gelijk de besten….en over de vis die daarbij in de goudzee zwom.

En dan plots dit : la morale de cette morale… Daarom alleen al , moesten jullie er hier vandaag bij zijn. Daarom ook was die reis toen een win-winsituatie avant la lettre.

Ach , voor wij het wisten zijn wij zoals alle fanfares van honger en dorst uit dit Leuvense landschap verdwenen. De meeste toch , om hier nog maar zelden terug te komen. Tenzij nog enkele jaren later met kinderen , en nu met kleinkinderen …

Maar altijd drijft Leuven verder weg. Saramago kon het niet beter beschrijven.”

Ludo Helsen