VROUWENSTEMRECHT

Bij de wet van 27 maart 1948, vandaag 71 jaar geleden, kregen de Belgische vrouwen eindelijk stemrecht voor de parlements- en voor de provincieraadsverkiezingen. In ruil weliswaar voor de verlieslatende Waalse steenkoolmijnen. Een koehandel op grote schaal.

4893f408-2df1-11e8-b2dc-e12d00e3fe47_web_scale_0.2916667_0.2916667__In de Belgische grondwet van 1830 stond wel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet. Niet dat de mannen gelijker zijn dan de vrouwen. Het zou echter nog meer dan een eeuw duren vooraleer alle burgers van dit land ook gelijke politieke rechten kregen.

Aanvankelijk gold hier het cijnskiesrecht: alleen mannen die een bepaald belastingniveau haalden, mochten stemmen. In 1893 werd dit vervangen door een algemeen meervoudig stemrecht. Alleen voor mannen. Afhankelijk van het vermogen, de gezinssituatie en de diploma’s konden daar maximaal nog twee stemmen bijkomen. (spotprent 1896)

Het groeiend succes van de BWP (Belgische Werkliedenpartij) na de invoering van de evenredige vertegenwoordiging zette de katholieke partij ertoe aan om het vrouwenstemrecht te gaan verdedigen De liberalen waren tegen. De socialisten waren voor, maar het in de praktijk brengen bleek een stap te ver. Beide partijen vreesden immers dat de vrouwen te veel onder de invloed van de clerus zouden komen te staan en ze de katholieke partij met hun stemmen zouden versterken.

In 1919 werd het algemeen enkelvoudig stemrecht ingevoerd. De vrouwen werden weer aan de kant gelaten. Alleen voor de niet-hertrouwde weduwen en moeders van gesneuvelde soldaten in WO I  werd uitzondering gemaakt. Zij mochten wel stemmen, op het niveau van de mannen.

In 1920 verwierven de vrouwen eindelijk stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen. Pas na WO II werd de legitimiteit van het vrouwenstemrecht niet meer in twijfel getrokken.

Bij wet van 27 maart 1948 werden de vrouwen helemaal op het niveau van de mannen gebracht. De strijd duurde 118 jaar.